Historische roman over liefde en onmacht in het Maastricht van de industrialisatie
In het turbulente Maastricht van 1867, dat in een dramatisch tempo verandert van een garnizoensstad in een industriestad, leren Louise Mordant en Hans Erich Thalberg elkaar kennen in een koffiehuis. Journaliste Mordant is een citoyenne, een dochter van de verlichting. Thalberg, een architect die het vak heeft geleerd bij de afbouw van de Keulse Dom, vertrouwt juist op de terugkeer van de middeleeuwen. Hoewel hun visies net zo hard botsen als hun karakters, worden ze stapelverliefd op elkaar.
Hans Erich moet Louises aandacht echter delen met de fabriek. Hij begrijpt niet waarom ze steeds weer naar de ovenhal wordt gedreven. Wat hij niet weet, is dat Louise zoekt naar het antwoord op een oud geheim dat bij het vuur besloten ligt.
Tegen de achtergrond van schrijnende kinderarbeid en gloeiende aardewerkovens schildert Ad van Iterson de neergang van Louise Mordant. In plaats van een kind van haar tijd te worden, komt Louise van het licht terecht in de duisternis.
Fragment:
Louise Mordant gelooft in licht en helderheid. Ze komt altijd vroeg in de middag het Vrijthof oplopen, om rond te kijken en te kiezen uit een van de koffiehuizen aan het plein. Nooit ’s avonds. Na zonsondergang wordt ze niet meer gesignaleerd. Niemand weet wat ze in de donkere uren doet, als de gaslampen suizen. Gaat ze misschien vroeg slapen? Onwaarschijnlijk. Daar is haar gezicht te wit voor. Ze is ook te onrustig. Ze heeft de wasbleke energie van een scherpzinnige die aan slapeloosheid lijdt.
Louise Mordant gelooft ook in het licht en de helderheid van de rede, van de verlichting. Ze wordt het liefst met citoyenne aangesproken. Citoyenne, slechts gevolgd door haar voornaam. Maar niemand op het Vrijthof doet dat – niet op de wandelallee, niet in de koffiehuizen. Niemand weet meer wat dat woord betekent, in het Maastricht van de jaren zestig van de negentiende eeuw.