Rascha Peper (pseudoniem van Jenneke Strijland) werd op 1 januari 1949 in Driebergen geboren. Ze studeerde Nederlands, met als hoofdvak Middelnederlandse literatuur, en werkte enige tijd als lerares. In 1983 verhuisde ze naar Wenen vanwege het werk van haar partner die in dienst was van het Ministerie van Buitenlandse Zaken. Daar begon ze, omdat ze zich nogal 'op zichzelf teruggeworpen' voelde, ernst te maken met het schrijven. In die tijd ontstond de eerste versie van Oesters. Na publicatie van haar eerste verhalen in Hollands Maandblad en Tirade zette ze zich aan het herschrijven van deze roman omdat ze 'in alle valkuilen van een beginnend schrijver was getuind'. Rascha Peper schreef daarna vele romans, waaronder Rico’s vleugels, Russisch blauw (Multatuliprijs 1999) en Wie scheep gaat. Meest recent verscheen van haar hand de roman Vingers van marsepein.
Foto auteur © Keke Keukelaar
Het oeuvre
Vingers van marsepein (roman, 2008)
Stadse affaires (columns, 2006)
Verfhuid (novelle, 2005)
Wie scheep gaat (roman, 2003)
Dooi (roman, 1999)
Een Spaans hondje (roman, 1998)
Alle verhalen (verhalen, 1997)
Russisch blauw (roman, 1995)
Rico's vleugels (roman, 1993)
Oefeningen in manhaftigheid (verhalen, 1992)
Oesters (roman, 1991)
De waterdame (verhalen, 1990)
Prijzen
- Shortlist AKO Literatuurprijs 1994
- Winnaar van de Multatuliprijs 1996
Bibliografie
Dooi
januari 2008
gebonden
3 Vragen aan
In een interview noemt u het hunkeren naar iets dat je niet kan krijgen als centrale thema in uw oeuvre. Is dat thema per definitie pessimistisch?
Welnee, dat is pessimistisch noch optimistisch, wel melancholiek. Het verlangen dat niet vervuld kan worden is een Romantisch thema (Dort wo du nicht bisst, da ist das Glück) en ik geloof dat ik uit die Romantische school stam. Mijn hoofdpersonen zijn vaak zoekers, fantasten, sociaal niet zo handig, geneigd zich in een droom te verliezen (Russisch Blauw) of in een verzameling die ze boven het echte leven stellen (Verfhuid). Ik streef er altijd wel naar de 'zwaarte' van het thema door de nodige luchtigheid te compenseren, bijv. door nuchtere, realistische bijfiguren.
Was het moeilijk om voor Vingers van Marsepein een beeld te vormen van de medische wetenschap van rond het jaar 1700?
Nee, daar is behoorlijk wat over geschreven. Ik heb veel gehad aan de biografie over Frederik Ruysch, De doodskunstenaar, van historicus Luuc Kooijmans. Daarin geeft hij een prachtig beeld van de anatomie in die dagen. Men begon in die tijd achter een heleboel dingen te komen die voorheen totaal onbekend waren, zoals de werking van het lymfeklierstelsel en de ontwikkeling van de foetus in de moederschoot. Een heel interessante periode. Waar ik veel plezier in gehad heb, waren zijn beschrijvingen van de slimmigheden en het gekonkel tussen de geleerden onderling om achter elkaars geheimen te komen. Veel vondsten en nieuwe technieken werden nl. niet openlijk aan de vakbroeders prijsgegeven, maar angstvallig voor zichzelf gehouden. Iedereen die zich met anatomie bezighield, was razend nieuwsgierig naar Ruysch' methode om menselijke preparaten hun roze huidskleur te laten behouden. Of naar zijn speciale verlostang (hij was ook vroedmeester), maar die stak hij bij het verlaten van de kraamkamer snel onder zijn jas.
De kiem van uw schrijverschap lag in Wenen. Kunnen we ooit nog een grote Weense roman verwachten?
Dat denk ik niet. Om een stad goed te beschrijven moet je ervan houden (of hem juist haten, dat kan ook heel wat opleveren) en mijn gevoelens voor Wenen zijn nogal lauw. Ik heb me er nooit zo thuisgevoeld, wat misschien meer aan mij (althans mijn persoonlijke omstandigheden in die tijd) lag dan aan Wenen, maar de Weners zijn ook wel afstandelijk en akelig formeel, erg van rangen en standen. Jawohl, Herr Doktor, Nein, Frau Diplom Ingenieur! Mijn eerste roman, Oesters, speelt zich er af, maar daarin wordt niet echt een beeld van de stad gegeven. Ik ben er naderhand ook maar een paar keer kort teruggeweest. In mijn herinnering doemen meteen hoge sneeuwwallen op, die de sneeuwschuivers in onze buitenwijk maakten en waar je dan wekenlang achter zat: een kil, opgesloten beeld.