‘Ik moet zeggen dat Te Bokkels invalshoek niet al te gebruikelijk overkomt. Kijken naar regendruppels die zich verplaatsen [...] zo verzet deze debutant zich tegen de overheersende scepsis en verbrokkeling van alles en omhelst een inmiddels vergeeld en daardoor juist ook weer nieuw klinkend gedachtegoed.’ Vrij Nederland
‘Wie zo markant water en lucht voor even in een frons verenigt, kan dichten! [...] Een goed uitgebalanceerd debuut. [...] Veel debutanten zetten in op klassieke thema’s (liefde, dood) óf op lolbroekerij. Zo niet Pim te Bokkel. Hij wil “het wezen van de dingen benaderen”. Een romantisch dichter dus - en een goede bovendien.’ Trouw
‘Een mooi debuut. Beeldrijke verzen van een dromerige dichter die op zoek is naar het wezen van de dingen, geschreven in een kraakheldere taal.’ De Gelderlander
‘de vervreemding en de waanzin [...] ik rook er een op Pim te Bokkel. De avonturier.’ Erik Jan Harmens, De Groene Amsterdammer
‘Pim te Bokkel (1983) is een jonge naam, maar Crossing Border staat al op zijn dichterslijst en ook Passionate, Krakatau en Meander. En als hij zo verder gaat dan wordt dat lijstje nog heel erg lang. In dit debuut weet je bij de eerste gedichten al: dit is raak. Te Bokkel, of moeten we zeggen Pim, duwt je zijn wereld binnen. En je gaat. Je stribbelt niet tegen. Je kijkt verwonderd om je heen en ziet de dingen voor het eerst. Je denkt: waar ben ik beland. Je denkt ook: mag ik hier nog even blijven, alsjeblieft. Er zit beroering in zijn zinnen: “Hoe lang het al beweegt / aan het kampvuur dat de bosrand verkoolt / in de nacht die aan het kampvuur tekt / als ze danst / danst het in een jurkje rood als zij”. De titel en de naam van de dichter op het omslag vormen een beelddicht. Wie trekt de regen aan is een bui waarin je wilt gaan rennen.’ Bibi Dumon Tak, NBD | Biblion
‘Meestal werken zijn waarnemingen gewoon. Hij leert er de wereld mee kennen. Maar de laatste regel van “Het oog” laat zien hoe weinig we eigenlijk weten over de wijze waarop we weten. Dat besef geeft Te Bokkels gedichten noodzaak. En het duidt op een project waarvan het einde, gelukkig voor de lezer, nog niet in zicht is.’ De Recensent
‘Verwijt mij niet dat ik er allemaal grote namen bij haal om deze poëzie te kenschetsen - dat is de vedienste van deze gedichten zelf.’ Krakatau
‘Overgiet deze alledaagse observaties met een taal die zich niet hult in gratuite woordspelingen of exuberante interpunctie, kruidt met een nominatie voor de C. Buddingh’-prijs en je gunt jezelf een blik op een toekomstige poëtische meerwaarde.’ Yves Joris, Poëzierapport
Top 3 favoriete dichtbundels van 2007: ‘Van een te volgen recept geen zweem’. Marja Pruis, Awater
Tip 5: ‘5. Pim te Bokkel, Wie trekt de regen aan? Door de poëzie van deze jonge dichter gaat de lezer een grotere wereld vermoeden achter de dagelijkse feiten. Verfrissend en vol verlangen om door te dringen tot de kern.’ Gelly Talsma, Athena’s Boekhandel
‘Beste boektitel: Wie trekt de regen aan?’ Ricco van Nierop, De Recensent
‘Te Bokkel lijkt zich weinig aan te trekken van literaire modes. Hij hanteert een eigen, ingetogen, maar beeldrijke taal en hij weet wat hij daarmee wil doen [...] bedachtzame poëzie, die toegankelijk is en je tegelijkertijd doet zoeken naar méér [...] terecht genomineerd voor de C. Buddinghprijs voor het beste debuut.’ Reine de Pelseneer, VlaBin-VBC
Uit het Juryrapport van de C. Buddingh’-prijs:
'De eerste bundel die we nomineerden was Wie trekt de regen aan? (Nieuw Amsterdam Uitgevers) van Pim te Bokkel. Hij gaat in zijn gedichten "op zoek naar een wereld die verscholen ligt onder de stof van het dagelijks weten” Dat levert speelse, tevens niet oncerebrale poëzie op, die bladzij na bladzij probeert een opening te krijgen in een gangbare manier van kijken en spreken over de wereld. Gevoelens van onderhuidse dreiging maar ook een sterk besef van het uitzonderlijke in het gewone worden verwoord met zin voor zowel het concrete als de beperkingen ervan.
Te Bokkels taal werkt met z’n registerverschuivingen en perspectivische wendingen niet zelden als een methode: een bewustzijn, zich bewust van zijn verblindende tussenkomst, probeert via de taal iets als oorsprong te hervinden. Wanneer dit streven slaagt, zijn gedichten met een opvallend eigen aanwezigheid het resultaat.
In de ogen van de ik
Toen de gevels van de vierendertigste straat zich tot hem richtten
toen hij in het drijfzand van de aarde zonk
bogen in zijn ooghoeken de flatgebouwen zich
als haverpluimen in de wind
symmetrische lijnen knoopten zich achter zijn hoofd
tot cirkels vast
de maan was er
de schotel van een lichte plafonnière
en elk ding was met secondenlijm
aan de binnenwand van zijn globe geplakt.
Pim te Bokkel is een dichter die verwachtingen wekt.’