Discussietips bij Francis Spufford - Gouden bergen

Bekijk hier een aantal discussietips bij het lezen van Gouden bergen van Francis Spufford.

1. ‘Wat een omlijsting al niet vermag!’ denkt Smith als hij nog geen uur na zijn aankomst in New York voor het eerst de kamer met Tabitha, Flora en Zephyra in kijkt (p. 22). Hoe beïnvloedt de ‘omlijsting’ van Gouden bergen, die in het naschrift van Tabitha op p. 355-360 wordt onthuld, jouw interpretatie van het verhaal? Heeft het effect op het plezier waarmee je de roman leest?

2. Saraceense goochelaar, spion voor de Fransen, acteur, schelm, charlatan: elk van deze etiketten krijgt Smith tijdens zijn verblijf in New York opgeplakt. Welk vind jij het best bij hem passen, en waarom?

3. Lovell definieert handel als volgt: ‘Handel is vertrouwen, mijnheer. Handel is het samenkomen van twee behoeften, mijnheer. Handel is het aannemen van een uitgestoken hand,’ (p. 16). Hoe is deze definitie van toepassing op Smiths taak, die later wordt onthuld? Zou je zijn missie in New York ‘handel’ noemen of iets anders?

4. De identiteit van de langharige dief die Smiths beurs steelt wordt nergens prijsgegeven, maar wie denk jij dat hij is? In wiens opdracht handelde hij?

5. Gouden bergen speelt zich af in 1746, 82 jaar nadat Manhattan van Nederlandse in Britse handen overging en 37 jaar voordat het Amerikaans werd. Beschrijf de houding van de verschillende inwoners van Manhattan ten opzichte van Groot-Brittannië en de Republiek. Zie je breuklijnen die vooruitwijzen naar de aanstaande revolutie?

6. Analyseer de dromen die Smith heeft tijdens zijn rusteloze nachten, eerst op de te krappe sofa van Septimus (p. 113) en later in de nacht nadat zijn duim is gebrandmerkt (p. 319-320). Wat vertellen de symbolen in deze dromen, zoals het schaakbord en de ‘wijnrode sneeuwpop’, ons over Smith en zijn diens houding ten opzichte van zijn missie?

7. Waarom deed Tabitha alsof ze kreupel was? Waarom denk je dat Smith haar niet om uitleg vroeg (p. 84)?

8. Cato, het toneelstuk dat door Septimus op de planken wordt gebracht, gaat over de laatste levensuren van Marcus Porcius Cato, een stoïcijn die een icoon van deugdzaamheid en vrijheid werd door zijn daden, retoriek en verzet tegen de tirannie van Caesar. Het ‘raakt aan alle thema’s die New-York na aan het hart liggen,’ zoals Septimus het verwoordt. Als je het betrekt op de politieke stemming in het New-York van 1746, ben je het daar dan mee eens? En als je het betrekt op de huidige stad New York?

9. ‘Je kunt niet zonder schurk,’ zegt Smith tegen Septimus over de rol van Sempronius in hun productie van Cato (p. 247). Wie is de schurk in Gouden bergen, áls er al een schurk is?


10. Smith zegt in de Ghanese taal Twi iets tegen Zephyra waarvoor geen vertaling wordt gegeven: ‘Aane, me ara ni nnipa a wo twen no,’ (p. 345). Wat denk je dat het betekent?

11. Smith zegt tegen Tabitha dat ze ‘een vogel én een kooi’ is (p. 337). Wat bedoelt hij? Geldt dit ook voor andere vrouwelijke personages in het verhaal? Geldt het voor Smith zelf? Op welke andere literaire of filmpersonages is deze omschrijving van toepassing?

12. Gouden bergen schetst een milieu waarin romans een verslavende werking hebben (Flora verslindt ze als ‘laudanum’) maar ook afkeer wekken (Tabitha noemt ze ‘sentimenteel gezwets voor de kleinen van geest. Slobbervoer voor de simpele ziel.’). Ga op zoek naar andere metatekstuele verwijzingen in Gouden bergen, waaronder de plaatsen waar de verteller openlijk inbreekt in het verhaal. Hoe beïnvloeden deze momenten onze visie op de boodschap en de wereld van deze roman? Welke mankementen van de romanvorm komen door deze momenten aan het licht?

Nog meer verdieping

1. Dompel je onder in het New-York van Smith door kaarten te zoeken van Manhattan en omgeving rond 1800. Zoek de straten en herkenningspunten op die in Gouden bergen worden genoemd.

2. Bestudeer verschillende schelmenromans en probeer vast te stellen of Gouden bergen in dit genre past. Lees een van de andere moderne schelmenromans die hieronder worden genoemd en vergelijk de stijl met Gouden bergen. Welke kenmerken hebben ze gemeen?

De vanger in het graan van J.D. Salinger

Pippi Langkous van Astrid Lindgren

De witte tijger van Aravind Adiga

Pietje Bell van Chris van Abkoude

3. Herlees de gedichten van Sinterklaas (rechter De Lancey) over Hendrick, Lovell, Piet van Loon, Smith en Tabitha op p. 232-238. Maak Sinterklaasgedichten over je leesclubgenoten in de stijl van het boek.