Discussietips bij Thomas Verbogt - Hoe alles moest beginnen

Eerste vragen

1. Waar gaat het boek over, wat is voor jou het belangrijkste thema?

2. Het verhaal begint bij de volwassen Thomas, maar duikt dan meteen naar het zesjarige jongetje dat hij was toen Licia in zijn leven kwam. Kun je dat jongetje typeren? Raakt hij je? Wie of wat raakt je verder in dit boek?

3. Hoe krijgt de band tussen de beide kinderen vorm? Kun je voorbeelden geven?

4. De Thomas van 21 jaar is in zijn eigen ogen nog altijd dezelfde. Dat vindt Licia ook. Waar blijkt dat uit?

5. Licia zie je als lezer uitsluitend door de ogen van Thomas. Maar toch zijn er altijd signalen ge-weest over haar gedrag en misschien haar karakter, die je als lezer wel hebt opgepakt maar die de jonge Thomas niet heeft kunnen duiden. Kun je er een paar noemen?

6. Pas in Italië kan Thomas niet meer om de signalen van Licia heen. Wat gebeurt daar en hoe inter-preteer je dat?

7. De Thomas van bijna 40 gaat naar Keulen als hij Licia’s stem hoort op de televisie, iets waar in de proloog al naar wordt verwezen. Zij vertelt dat zij vlak voor haar vaders dood met hem in het reine is gekomen. Wat hing er dan tus-sen hen? Wat vind je ervan dat dit toen pas ter sprake is gekomen? En wat vind je van Licia’s va-der?

8. Op aandringen van Licia schrijft Thomas nu een brief aan zijn eigen vader. Verheldert dat iets voor jou als lezer? En wat precies?

9. Thomas ontmoet Francine, over wie Licia nooit iets heeft verteld, hoewel ze wel voorstelt dat Thomas een nacht in het huis blijft. Hoe kijk je hier naar?

10. Als Thomas 63 is, komen we, na de dood van zijn moeder, terug bij de foto van het begin, waarop hij en Licia staan als zesjarige kinderen. Nu, en vooral na de wandeling van de twee door de buurt van hun jeugd, is het te begrijpen dat Licia’s vader kwam vragen of Thomas met zijn dochter-tje zou willen spelen. Dus waarom?

11. Dat het klikte tussen die twee kwam omdat ze beiden hunkerden naar een verzonnen leven. Wat was de reden en het belang van Thomas en wat denk je dat het belang van Licia was?

Verder praten

1. Thomas wil zich niet gek laten maken door overbewustzijn (blz. 92). Herken je dat verschijnsel en zie je het inderdaad als ‘gevaarlijk’. Heeft een dergelijk voortdurend zelfonderzoek ook een positie-ve kant?

2. Herinneringen zijn cruciaal voor Thomas. Hij maakt een onderscheid tussen herinneringen die vanzelf komen en die je dan toelaat, en herinneringen waar je naar zoekt. (Blz. 105) Hij meent dat de laatste eigenlijk al geen herinneringen meer zijn. Hoe kijk jij daarnaar? Zoek je wel eens naar herinneringen en wat zou daarbij ‘fout’ kunnen gaan? En hindert dat?

3. Op weg naar Keulen dringt tot Thomas door dat er ‘iets’ is met Licia. Iets wat hij wist maar nooit bewust. Wat gebeurt daar precies? Herken en begrijp je dit soort plotselinge ‘flitsen van inzicht’? Waarom is dit een essentiële scene in het boek?

4. De ouder wordende Thomas heeft regelmatig ‘inzichten’ (bijv pag 161). Het inzicht dat hij na het vertrek van Licia zélf niets meer heeft veranderd (106) is zelfs bepalend voor zijn verdere leven. Heeft elk mens van tijd tot tijd zulke belangrijke en bepalende inzichten? Kun je het leren? Doe je wel eens iets met de inzichten opgedaan in een droom (blz. 213)?

5. En wat is precies ‘het inzicht in wat we meemaakten toen ze kinderen waren’? (blz. 146) Met andere woorden: wat betekende Licia voor Thomas, en wat betekende hij voor haar? Of nog anders: hoe betoverend en gelukkig was die jeugd eigenlijk voor hem? Voor Licia? En hoe belangrijk?

6. Thomas denkt over zijn jeugd als over ‘de tijd die ons maakte wie we waren’. (blz 125) Het bijzondere van deze twee is dat ze dit omdraaiden. Zij maakten zelf hun leven doordat ze het verzonnen. Het verhaal over de rode ballon is een glashelder voorbeeld van hoe dat ging. Hoe kijk je hiernaar?

7. Later lukt het zelfs Thomas niet altijd meer om zijn leven helemaal e verzinnen, vooral op school ‘was er teveel wereld om hen heen’. Is het schrijvers/kunstenaars altijd gegeven om een beetje een verzonnen leven te blijven leiden?

8. De 40-jarige Thomas is er zich zeer van bewust wat vrienden voor hem betekenen. Hij merkt op (blz.136) dat hij en zijn vrienden zich één willen voelen met hun gedachten, ermee willen samen-werken. Wat is voor jou de essentie van vriendschap?

9. In het gedicht van Eliot (blz. 138) gaat het over de derde die altijd aanwezig is en naast je loopt. Wie is deze derde bij Thomas? Heeft iedereen een derde?

10. Een grote kracht van Verbogt als schrijver is het trefzeker typeren van een personage. Op blz. 158 heeft hij het bijvoorbeeld over 'Iemand die voortdurend moet wennen aan de wereld om hem heen’. Wat zie jij als de kracht van deze schrijver in dit boek?

11. Op blz 220 kijkt de 63 jarige Thomas terug op zijn leven. Hoe het begon, en hoe het moest be-ginnen. Het gaat hier om het onontkoombare, datgene waar je het mee moet doen, dat wat je niet kiest. Wat is dat bij Thomas, dat onontkoombare pakket waarmee hij moest beginnen? Wat is het voor Licia? En wat is het voor hen samen, hoe moest hun vriendschap beginnen? Wat lag er als onontkoombaar vertrekpunt?